|
www.plantaardig.com
De Teelt van bonen
Bonen behoren tot de vlinderbloemenfamilie. De kleur van de bloemen, maar ook de kleur, de vorm en de grootte van de peul kan sterk verschillen.
Bonen zijn voor het grootste deel afkomstig uit Centraal-Amerika. In de
zestiende eeuw is de teelt in Europa begonnen. Aanvankelijk werden bonen geteeld
voor de droge, rijpe zaden. Later werd ook het gebruik van de onrijpe peulen
gekend. Een belangrijke stap was de komst van de boon zonder draad.
De meeste bonen behoren tot de soort Phaseolus vulgaris,
maar binnen deze soort is er een enorme verscheidenheid.
Als je zaden koopt loont zeker de moeite even na
te gaan wat er in het doosje zit. De keuze aan variëteiten is zeer groot. Ieder
jaar worden een aantal nieuwigheden aangeboden. Nieuwe rassen bieden voordelen
zoals een hogere productie, betere ziekteresistentie en minder snel vliezig
worden.
Het onderscheid tussen klassieke rassen en nieuwigheden is snel gemaakt. De
prijs van nieuwe rassen is zowat het dubbele van de klassiekers.
Grond en watervoorziening
De grond waarin we bonen willen zaaien moet al voldoende opgewarmd zijn en mag niet te nat zijn. In een te natte en te koude grond komen bonen gewoonweg niet op. Ook de kiemplantjes zijn nog heel gevoelig voor kou en vocht. Doordat volgroeide bonen een oppervlakkig wortelstelsel hebben, kan de plant na enkele dagen wateroverlast al afsterven. Tijdens de periode van de bloei en van de peulvorming mogen bonen niet te droog staan. Alhoewel we bonen liefst niet te veel beregenen, kan het toch nuttig zijn om een geultje langs de planten te maken en hierin wat water te laten lopen tijdens de bloei en de periode van vruchtvorming. Te weinig water in die periode kan ervoor zorgen dat de peulen kort zijn en te weinig zaden bevatten.
Bonen met draad zullen bij droog en warm weer nog meer de neiging hebben draad te vormen.
Vruchtafwisseling Geen bonen zaaien na een vlinderbloemige (bonen, erwten, tuinboon). Er wordt aangeraden
maximaal één maal per vier jaar terug te keren met vlinderbloemigen op hetzelfde perceel.
In het vruchtwisselingsschema gaan zij de kolen vooraf.
Bemesting
De familie van de vlinderbloemigen heeft de eigenschap dat er zich op de wortels
kleine, ronde knolletjes bevinden die gevormd worden door symbiose of
samenwerking tussen de plant en bacteriën. Deze bacteriën, die in de wortel van de plant een geschikt substraat vinden om zich te handhaven en te vermenigvuldigen, bezitten het unieke vermogen om stikstof uit de lucht om te zetten in stikstofvormen die de plant als voedsel kan opnemen.
De stikstofbemesting hoeft bij bonen eigenlijk niet, tenzij op heel arme
gronden. Bonen zijn ook gevoelig voor te veel zouten in de grond tijdens het
kiem- en jeugdstadium. Dan is er groeiremming en zien we naar beneden opgerolde
en gele bladeren.
Te veel organische bemesting veroorzaakt een te weelderige groei, met als nadeel
te weinig bloei en te zwak uitgegroeide peulen die snel rotten. Stalmest trekt
bonevlieg aan. Zorg wel voor een humusrijke grond. Organische bemesting aan de
voorteelt geven is een voordeel. Eventueel voor de teelt een lichte bijbemesting
met stikstof op arme gronden. Ook op lichte gronden is 30 gram per m² patentkali
aan te raden.
Zaaien
Zaaien in open lucht kunnen we pas vanaf half mei. Vroeger zaaien geeft dikwijls mislukking omdat de grond nog niet voldoende opgewarmd is. De grond moet immers minimum 10°C warm zijn. Je kan toch vroeger zaaien als je eerst de grond die je uitgekozen hebt gedurende een veertiental dagen afdekt met plastiek om de opwarming van de grond te versnellen. Toch moet je er ook rekening mee houden dat de groeitemperatuur voor bonen 15°C is.
bonen
in potjes zaaien
Daarom is het beter de bonenteelt te vervroegen door eerst in bloempotten te zaaien rond half-april en deze planten dan half mei buiten te planten. Zaai dan zo’n vier zaden per bloempot (diameter 12cm). Voor struikbonen streven we naar een plantdichtheid van 25 planten per m². Je kan dit bereiken door te zaaien op een afstand van 50 cm tussen de rijen en
8 cm in de rij. De zaaidiepte bedraagt 3 tot 4 cm.
Je kan met goed gevolg bonen zaaien tot ongeveer
15 juli. Bonen zijn immers zeer gevoelig voor nachtvorst, zodat de oogst tegen 15 oktober zeker moet binnen zijn.
Wie pas de tweede helft van juli zaait moet wat geluk hebben met het weer.
Stokbonen worden best gezaaid ten laatste begin juni. Let er op dat je bij
stokbonen de bonen aan de binnenkant van de stokken zaait, zo groeien ze
gemakkelijker langs het raamwerk. Leg een vijftal zaden per stok in een kleine
halve cirkel . Je kan natuurlijk ook stokbonen voorzaaien en dan bij de stokken
uitplanten. Zo kan je nog wat vroeger oogsten.
bonen
in plastiektunnel
Kassen, plastiek of glas, kunnen
gebruikt worden om een bonenteelt te vervroegen. Je kan er rechtstreeks ter
plaatse zaaien vanaf begin april. Laat wel eerst een paar dagen de kas dicht
zodat de grond kan opwarmen. Is de kas niet vrij begin april, dan kun je vanaf
half maart bonen zaaien in potjes, bijvoorbeeld drie zaden per pot. Deze plant
je dan uit rond half april op een afstand van 50 cm tussen de rijen en 30 cm in
de rij.
Aanaarden
Om later gemakkelijker water te kunnen geven en om de planten wat steun te geven is het aan te raden vlak voor de bloei de planten wat aan te aarden. Let er dan toch wel op dat je de wortels niet te veel beschadigt.
Steunmateriaal
Er zijn heel veel mogelijkheden voor het bouwen van het steunmateriaal bij
stokbonen. De hoogte van de staken of stokken voor de stokbonen is minimum 2,5 m
voor slabonen en 3 m voor snijbonen.
De meest gebruikelijke wijze is om op een bed van 1 m breed aan beide zijden een rij stokken te steken, tegenover elkaar geplaatst in schuine richting. De stokken staan dan op een afstand van 60 cm. De twee elkaar kruisende stokken worden op een hoogte van 2 m aan elkaar vastgekoppeld aan een boven de kruispunten aangebrachte dwarsligger.
Je kan ook een wigwamvorm maken waarbij je drie
tot zes stokken bovenaan verbindt. Of je kan een fietswiel bovenop een paal van
vastzetten. Daaraan bevestig je een twaaltal touwen die je in de grond vastzet
met metalen haken. Bij gebruik van touwen is er meer kans op afzakken van de
planten.
klimnet
Meer en meer wordt er ook gebruik gemaakt van klimnetten met een hoogte van 2 m.
Oogsten
De opbrengst is bij bonen dikwijls een meevaller en schommelt tussen de 12 kg
(stam) en 20 kg (stok) per 10 m². Afhankelijk van de variëteit zijn één, twee of
meerdere plukbeurten nodig. Wacht niet te lang met oogsten, de kwaliteit gaat
snel achteruit. Stokbonen regelmatig oogsten zorgt voor betere doorgroei. Bonen
bewaren kan slechts enkele dagen, de peulen verslappen al snel. Zorg voor
oogstspreiding door regelmatig zaaien. Bonen lenen zich goed om in te vriezen
Blancheer ze, voor het vriezen, 2 minuten kokend water.
Ziekten en plagen
Zwarte boneluis
Zorg voor planten met een evenwichtige groei, zowel een te zwakke als een te
sterke groei bevordert de aantasting door boneluis. Oost-Indische kers trekt de
zwarte luis aan. Overwintert als ei op sneeuwbal en kardinaalsmuts en soms als
als luis op kruidachtige planten. In de lente is er een invasie op gezonde
planten (juni-juli) Ook op bieten bijvoorbeeld.
Bonevlieg
Legt zijn eitjes in de grond nabij het zaad. De larven vreten aan de kiemende
bonen, de jonge kiem sneuvelt of komt niet op. Deze larve vreet de eerste
kiemblaadjes tussen de zaadlobben op waardoor er de zogenaamde ‘"soldaatjes"
boven komen.Als de eerste echte bladeren
verschijnen is er geen gevaar meer voor aantasting. Niet zaaien na spinazie en
geen verse mest gebruiken. Een week wachten na een grondbewerking vooraleer de
bonen uit te zaaien. Hou rekening met de periodes waarin de bonevlieg
rondvliegt, dit zijn eind mei, begin juli en half augustus. Vroeg zaaien en
zaaien half juni is dus ideaal. Zaaien onder vliesdoek kan schade voorkomen. Of
je kan voortelen in potjes. Grotere planten zijn niet meer gevoelig voor
bonevlieg.
Spint
Staakbonen hebben soms last van spint, die zuigschade veroorzaken. Eerst zijn er
gele vlekjes, later wordt het blad helemaal bruin en sterft af. Zorg voor een
goede doorgroei van de planten en laat zo weinig mogelijk tocht toe op de
planten
Grijsrot
of Botrytis
Heel dikwijls is het zo dat het bloemrestje aan de peul blijft hangen en daar
begint te schimmelen. Voldoende ruim planten zodat de plant voldoende kan
opdrogen.
Sclerotinia
Soms vallen er enkele planten uit doordat de stengel of de bonen
rotten en wit schimmelpluis vertonen. Binnenin zitten zwarte bolletjes. Dit zijn
de overlevingsstructuren van deze schimmel. Blijft lang in de grond en heeft
veel groenten als waardplant. Slasoorten, andijvie, selder en knolvenkel zijn
ook gevoelig.
Roest overwintert op zieke plantendelen en op bonestaken
Vlekkenziekte wordt gekenmerkt door Ingezonken vlekken op peulen,
bladeren en stengels), overwintert op ziekte plantendelen en zaden (Colletotrichum).
Komt nog weinig voor.
Vetvlekkenziekte wordt veroorzaakt door een bacterie (Pseudomonas)
Komt weinig voor.
Hoe het onderscheid maken tussen de verschillende bonenrassen?
1. Stambonen (struikbonen)
De peulen worden geheel of in stukjes gebruikt als groente. Er zijn hierbij
verschillende types.
  Naaldboontjes Franse selecties die heel fijne en tot 20 cm lange peulen
vormen. Het gewas is meestal weelderig en er wordt meerdere keren geplukt. Dit
is nodig omdat ze vrij snel vliezig worden. De zaden zijn zwart, bruin, beige of
gevlekt. (=Gekleurdzadige soorten). Het is bekend dat gekleurde zaden net iets
beter de koude en de vochtigheid verdragen bij een (te) vroege zaai. Soms
aangeboden als ‘Haricots verts’.
Chinese boontjes (hotelboontjes) Zijn veel korter, maximum 12 cm. Het
gewas is meer gedrongen en de oogst kan gebeuren in één tot maximum twee maal.
De peulen zijn zeer recht, fijn en gelijkvormig. Dit maakt dat het soms moeilijk
te bepalen is wanneer je nu juist moet oogsten. De zaden zijn wit. Kunnen iets
dichter gezaaid worden. ( Rassen Ardes - Autan - Novostar - Pros Gitana - Lipsos
en Miracle)
Prinsessenboontjes Hebben witte of bruine zaden, en een iets minder fijne
peul dan de naaldboontjes. De peulen zijn vlezig en hebben de neiging snel over
te gaan tot zaadvorming in de peulen.
  Sommige stamslabonen hebben goudgele peulen, dit zijn dan
boterbonen, nog
andere soorten zijn paars. De meningen over de smaak van boterbonen lopen uiteen
over zeer goed tot ‘flets’. De paarse bonen kleuren groen bij het koken
en hebben een uitstekende smaak.
 Snijbonen Hebben lange, platte, brede peulen en worden voor het gebruik
versneden. Vooral de oudere snijboonrassen (prijs!) moeten iets jonger geoogst
worden.
2. Stokbonen Groeien langs stokken of draden.
Stokslabonen Zijn meestal langer dan de stamslabonen. Met stokbonen kan
op een kleine oppervlakte een grote opbrengst gehaald worden. Stokslabonen zijn
eigenlijk van het type prinsessenbonen.
Stoksnijbonen. De peulen van de stoksnijboon, die ook langs stokken of
draden geteeld wordt, zijn nog iets langer.
Spekbonen Lijken, dikke, grote slabonen die als snijbonen kunnen gebruikt
worden. Ze geven een hogere productie dan de stamslabonen.
3.Droogbonen Hardschillige bonen, waarvan de volgerijpte en gedroogde zaden kunnen bewaard
worden en later gekookt gegeten. De peulen kunt u ook in een zeer jong stadium
eten. Er is de gele citroenboon, de kievitsbonen, de soldatenboon, borlottobonen.
Op dekooktips.com vind je een mooi overzicht van zeer rijke variatie aan
droogbonen. Het zijn vooral stambonen of struikbonen.
Flageoletbonen. Een aparte groep bij de droogbonen. Bij flageoletbonen
worden de bonen gedopt bij afgerijpte, doch nog groene peulen. (zoals erwten) of
worden geoogst zoals droge bonen. Ze behouden wel hun groene kleur
pronkboon
4. Pronkbonen Deze klimmende bonen onderscheiden zich door een robuustere
groei, en doordat de wortel vaak knolvormig verdikt is. Is sterker tegen ziekten
en verdraagt goed gure weersomstandigheden. De lange brede peulen worden in jong
stadium regelmatig geplukt om te eten als snijboon. Te harde peulen gebruiken
als droogbonen.. Vele variëteiten zijn roodbloeiend zijn, en hebben sierwaarde
Pronkbonen behoren tot een andere soort, namelijk Phaseolus coccineus.
|